| "Een
ziel verenigd met Jezus en die zich met Hem veréénzelvigt
kan alles. Het lijkt me dat dit slechts door gebed
bereikt kan worden" (brief 130).
"Het is
in gebed dat de ziel Jezus leert kennen en zodoende
Hem te beminnen. Aangezien liefde niet wordt bevredigd
door verschil maar door overéénkomst,
is het resultaat eenheid in gelijkheid" (brief
141).
"Ik kan
zeggen dat mijn leven een voortdurend gebed is, want
alles dat ik doe, doe ik uit liefde voor mijn Jezus"
(brief 52).
"God is
mijn hemel hier beneden. Ik leef met Hem. Zelfs als
ik loop praten we samen zonder door iemand gestoord
te worden. Als je Hem voldoende zou kennen zou je
van Hem houden. Als je één uur bij Hem
zou blijven zou je de hemel op aarde kennen"
(brief 40).
Een intense liefde
voor Christus. Christelijke heiligheid betekent
in het kort, de liefde tot Christus, die volledig
bezit neemt van de ziel. Vanaf haar jeugd gaf Juanita
haar hart aan Christus. Haar liefde voor Christus
bereikte een hoogtepunt die heel uitzonderlijk was
voor een jong meisje.
"Wat wil
je, Lucho: Jezus Christus, zo dwaas van liefde, maakte
mij dwaas" (brief 107).
"Aangezien
we weten dat deze God de mensen geschapen heeft, gaan
we Hem zo hevig beminnen. Ik zou willen dat je Hem
kende, zodat je Hem werkelijk zou kunnen liefhebben.
Hoe is het mogelijk om deze Jezus van onze ziel niet
lief te hebben? Hij is ongeschapen Schoonheid, eeuwige
Wijsheid, Goedheid, Leven, Liefde... Oh! Heb Jezus
lief. Wie kun je beter lief hebben? Hij dorst naar
je hart" (brief 136).
Opoffering.
De liefde tot Jezus boven alles te plaatsen houdt
noodzakelijkerwijs offer in. Voor Juanita betekende
opoffering vooral afstand te doen van haar eigen wil
en Gods wil voorrang te verlenen, zichzelf te vergeten
om anderen te helpen en te dienen.
"Wordt liefde
niet getoond in opoffering? Wanneer ik denk aan de
liefde van Jezus, dan lijkt alles wat ik aan Hem kan
offeren zo gering" (brief 156).
"Hoe meer
we liefhebben des temeer offers moeten we brengen,
en des temeer verlangen wij het vurig" (brief
121).
"We moeten
offers brengen, onze eigen wil verzaken om volledige
vereniging met onze Heer te bereiken" (brief
39).
"Ik zal mij toeleggen te werken voor
het geluk van anderen" (dagboek §20).
Eén van de grootste
offers van Juanita's leven, was het verlaten van haar
familie, waarvan zij zoveel hield, om Christus te
volgen. Zie hier voor wat zij schrijft in brief 73
(aan haar vader) en 81 (aan haar broer Lucho), ten
tijde van haar intrede in de Karmel.
Vriendschap. Juanita had een erg liefdevol
hart, zij verlangde ernaar om banden van vriendschap
aan te leggen. Talrijke brieven tonen aan hoeveel
zij van haar vrienden hield en er plezier in had de
tijd met hen door te brengen. Zij vroeg regelmatig
naar nieuws over hen. Tegelijkertijd probeerde zij
haar vriendschappen te heiligen, omdat zij begreep
dat Gods genade, verre van een vriendschap te vernietigen,
deze juist zuivert en veredelt.
"Ik begrijp
de waarde van een goede vriend. Ik had werkelijk de
behoefte om nader te komen tot iemand die mij begrijpt
en voelt wat ik voel. Je hebt me veel goed gedaan!"
(brief 32).
"Laat ons
God danken dat Hij onze zielen verenigd heeft door
banden van echte vriendschap, die bestaan in wederzijdse
vervolmaking, om zo dichterbij God te komen"
(brief 82).
"Wanneer
Gods liefde bezit neemt van een hart, verandert deze
het, het maakt als het ware menselijke liefde goddelijk"
(brief 44).
Vreugde.
Ongetwijfeld een van de meest opmerkelijke aspecten
van Teresa heiligheid. Zij had begrepen dat "God
oneindige vreugde is. "Zij had de vreugde van
God in haar hart, en dit straalde zij uit in haar
gezicht en haar brieven. Teresa's vreugde was noch
makkelijk noch oppervlakkig. Het was de vrucht van
haar grote liefde voor God, van de totale overgave
van haarzelf aan Christus, van de edelmoedigheid waarmee
zij Gods wil volbracht, en met Gods genade hard werkte
om haar hart te zuiveren van trots en zelfzuchtigheid.
Op deze manier liet Teresa Gods vreugde overvloeien
in haar hart.
"Wie kan
mij gelukkiger maken dan God? In Hem vind ik alles"
(brief 81).
"Ik ben
gelukkig en zal nooit ophouden gelukkig te zijn, omdat
ik aan mijn God toebehoor. Te allen tijde vind ik
in Hem mijn hemel en eeuwige en onveranderlijke liefde.
Ik verlang niets anders dan Hem en deze liefde groeit
in mijn ziel aangezien ik mij zelf binnengeleid zie
in de boezem van zijn Goddelijke liefde en aanbiddelijke
volmaaktheden" (brief 148).
"Het is
onmogelijk voor te stellen hoe gelukkig ik ben. Ik
voel vrede, zo'n innige vreugde dat ik tegen mezelf
zeg dat, als de mensen in de wereld deze vreugde zouden
zien, zij allemaal zouden rennen om zich in de kloosters
op te sluiten" (brief 133).
"Ik ben
het gelukkigste schepsel in de wereld. God is oneindige
vreugde" (brief 101).
"Ik ben
het gelukkigste schepsel. Ik verlang niets anders
meer, daar mijn hele wezen verzadigd is van God die
liefde is" (brief 110).
|